top of page

De Verloren Jaren

 

Het voorschrijven Hof alles overwogen een naam en van wegens het Bataafsche volk, condemneert den gevange Richardus Rikkert, ter zaake voorschreven om gebragt te worden ter plaatze alwaar men gewoon is criminele executie te doen, en aldaar aan een paal gebonden door de Scherprechter zeer strengelijk met roeden te worden gegeseld, voorts voor den tijd van twaalf achter een volgende jaren in het departementale tuchthuis geconfineerd, ten einde gedurende dien tijd met zijner handen werk den kost te winnen,  bannende wijders den gevange na expiratie van dien voor al zijn leven uit dit gehele departement bij poene van zwaarder straffe, inval immer wederom binnen het zelfde mogt gevonden worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zo gebeurt er maandenlang (of jarenlang) helemaal niets tijdens deze zoektocht naar mijn voorvaderen- en met name Richardus Rikkert-, of komt er slechts spaarzaam wat informatie los. Een onverwacht mailtje van Dinant Wansink, betrokken bij de Werkgroep voor de Lokale geschiedenis van Laren in Gelderland bracht plotseling een stroom van nieuwe gegevens en inzichten op gang. Het belangrijkste: het is nu ongeveer duidelijk wat er in de ‘verloren jaren’ (1805-1813) waarin van Richardus taal noch teken werd vernomen, is gebeurd. Ja, ik wist dat Richardus gevangen had gezeten, en zelfs ‘gegeseld’, maar de ernst en lengte van zijn straf drong pas tot mij door bij het lezen van het strafdossier, dat boven water was gekomen. Mijn betbetbetovergrootvader had niet minder dan twaalf jaar gevangenisstraf gekregen, zware geseling en verbanning uit het departement. Voor wat een serie diefstalletjes leek, was dit toch wel een exorbitant hoge straf- zelfs als we in aanmerking nemen dat de baron het voornaamste ‘slachtoffer’ was, hetgeen het vergrijp natuurlijk nog onvergeeflijker maakte. Bij het onderzoek was men ook niet bepaald over één nacht ijs gegaan, want tussen arrestatie en veroordeling zat ruim een jaar.

Zijn verbanning verklaart waarschijnlijk ook Richardus' afwezigheid bij het trouwen van zijn kinderen Willemina en Hendrik Annanias. Hij mócht niet eens in de buurt van Laren komen. Verblijfplaats 'onbekend' was wellicht een standaard verklaring. 

Die 12 jaar heeft hij overigens niet uitgezeten, want in 1814 treffen wij hem reeds in Rotterdam aan met een nieuwe vrouw, waarschijnlijk niet geheel toevallig afkomstig uit Arnhem. De diefstallen (want het zijn er inderdaad meerdere geweest) worden hem zwaar aangerekend. Zijn reputatie was, zo blijkt, al reeds lange tijd uitermate twijfelachtig, en je zou hem een notoire dief kunnen noemen. We moeten echter niet te hard oordelen, want Richardus en zijn gezin hadden het moeilijk. Er heerste soms bittere armoede, en was er dagenlang geen brood in de kast. In die tijd was zijn twaalf jaar oudere vrouw al blind of tenminste slechtziend geworden. Maar ook in de eerste jaren, toen hij nog te Deventer woonde, was Richardus’ handelwijze vaak suspect.

 

Ik had graag willen weten of Richardus vanuit Lage naar Laren of Deventer is gekomen door de connectie met Baron Rabo van Keppel tot de Woolbeek, die als patriot rond 1778 naar Lage was uitgeweken. Dat wordt niet duidelijk. Wel duidelijk is dat de twee elkaar kennen: Richardus heeft tussen 1795 en 1803 af en toe voor deze baron gewerkt. Hierover ondervraagd overlegt de baron een kwitantie voor het betaalde loon, maar zegt hij tevens verder weinig over Richardus te weten. Als de baron Richardus naar Deventer of Laren had laten komen, was dit toch wel ter sprake gekomen in de ondervraging.

 

Het algemene beeld is wel dat Richardus (al of niet door armoede gedwongen) het niet zo nauw nam met anderman’s eigendommen. De diefstal van oud ijzer (eigenlijk: lood) van Verwolde is slechts een deel van de aanklachten tegen hem. Het lijkt er op dat vanuit huize Verwolde een levendige handel plaatsvond met spullen van de baron Van der Borch en zijn vrouw. Er werd van alles vermist: laarzen, gordijnen, allerhande textiel (zoals de baby-spullen), goudbeslag van een memorie-boekje of almanak, tamme eenden, zeep en scheermessen. Dat werd beleend in lommerds van Zutphen of verkocht. Richardus deed dit niet alleen: ook de dienstmeid Louise Moser- met wie ik meende dat Richardus een meer dan intieme relatie zou hebben gehad- werd verdacht, alsmede Richardus’ halfzuster Engele Kohler, die als melkmeid werkte op Verwolde. Inderdaad, de dochter van zijn stiefvader, dus Richardus’ stiefzus.

 

Dat Engele ook op Verwolde was komen werken (maar wel enige tijd na Richardus), was nieuw voor me. Het betekende tevens dat er tussen Richardus en zijn familie te Lage meer contact was geweest dan ik had aangenomen. Dit bleek ook uit de gebeurtenissen rond de diefstal van het horloge (klokje, uurwerk) uit de pastorie van dominee Kalckhoff, waarvan Richardus verdacht werd. Kort na die diefstal was hij namelijk onverwacht naar Lage vertrokken, naar eigen zeggen om familie te bezoeken, met name zijn oom/voogd Jan Hendrik ten Bosch, koster en schoolmeester aldaar. Deze zou nog altijd geld hebben beheerd dat afkomstig was uit de erfenis van zijn in 1780 overleden vader, en dat wilde Richardus gaan ophalen. Een tamelijk ongeloofwaardig verhaal, na zo’n 25 jaar waarvan vele in armoede. Volgens verschillende getuigenissen had Richardus na terugkomst plots weer geld in huis. Het doet vermoeden dat hij dat klokje ergens verpatst heeft.

 

Richardus lijkt in Deventer een handeltje te zijn begonnen in lompen en textiel in de Grote Weverstraat (of Grote Overstraat?). De lening die hij daarvoor had afgesloten bij een veilingmeester, zou hij nooit hebben terugbetaald. Uit de documenten blijkt ook dat hij in Deventer zijn vrouw Johanna Geertrui Haarman heeft ontmoet. Deze was in dienst bij freule van Lynden, en zij vertelt desgevraagd dat er, gedurende de tijd dat Haarman daar werkte, toch ook geld werd vermist. De freule heeft daar nooit aangifte van gedaan en een sluitend bewijs ontbreekt dus, maar het was allemaal wel heel toevallig.

 

Er speelt ook iets vreemds rond een borgstelling van Richardus’ zwager, de onderwijzer Theunis Haarman. Er dook een briefje op waarop de laatste zich garant zou stellen voor het terugbetalen van alle door Richardus’ gemaakte schulden. Theunis bleek hier niets van te weten, en het briefje bleek vals. Richardus zei, dat dit was geschreven door een hem onbekende soldaat in een cafe in Deventer. Het handschrift is inderdaad noch van Theunis, noch van Richardus zelf.

 

Men wilde Engele Kohler verhoren, maar deze voelde wellicht nattigheid en was, zo leek het, naar Amsterdam vertrokken, en daar hebben gewoond bij Hendrik Roelofs aan de Botermarkt. Diezelfde Hendrik Roelofs, die we kennen als derde echtgenoot van Hendrina ten Bosch, Engele’s tante! Nog een bewijs dat het contact tussen Richardus en ten Bosch/Kohler familie frequenter was dan ik had aangenomen. Louise Moser is verhoord door baron van der Borch zelf, en zij is, zoals we weten, eerst tijdelijk (1803) en daarna definitief (1804) teruggegaan naar Breda. Van der Borch kon geen harde bewijzen vinden. Ik vermoed hier wel een klein beetje klassenjustitie. Wel weten we, doordat de politie op zoek was naar de dames en signalementen uitgaf, wel nu iets meer over het uiterlijk van beiden: Engele had blond haar en blauwe ogen, en was enigszins gezet. Louise wordt pokdalig genoemd, met bruin haar en blauwe ogen. Het is nu duidelijk, dat Richardus, geassisteerd door Louise en Engele een lucratief handeltje was gaan drijven met de spullen van de baron.

 

Een niet onbelangrijke conclusie na het lezen van dit dossier is toch wel dat Richardus helemaal nooit als klokkenmaker heeft gewerkt- iets wat ik al heel vroeg vermoedde. De carriereswitch van klokkenmaker in Laren naar kleermaker in Rotterdam was al weinig voor de hand liggend. Geen enkele maal wordt dit vak genoemd in het uitgebreide dossier, en ook de naam van klokkenmaker Ruempol ontbreekt volledig. Deze constatering werpt wel een ander licht op de titel van deze website: het was een leuke vondst, maar de hoofdpersoon van deze queeste had helemaal niets met het klokkenmakersvak te maken- terwijl dat toch de aanleiding was van dit hele onderzoek. Gelukkig wel enkele van zijn nakomelingen. Richardus heeft in Deventer gewerkt als (knecht bij) een kleermaker Crans (Krans?), en hij handelde zelf voornamelijk in textiel. In die hoedanigheid werkte hij ook wel op Verwolde, om precies te zijn op zolder, waar hij, ten tijde van de diefstal van het lood, bezig was met een tapijt. Ook in de pastorie werkte hij ergens aan, eveneens in zijn hoedanigheid als kleermaker- in dit geval in de keuken naast de slaapkamer van de dienstmeid waar het klokje lag.

 

Zo arm als hij was, had Richardus kennelijk toch nog iemand als knecht (laten we het een stagiaire noemen): de twaalfjarige Jacob Hos(ch(t)). Voor mij een volstrekt nieuwe naam, maar hij bleek ondanks zijn minderjarigheid, een zeer belangrijke getuige te zijn in de zaak tegen Richardus. Ongeveer alles wat Richardus aanvoerde ter verdediging, werd tegengesproken door deze jongeman. Ik heb nog niet helemaal helder wie of wat deze jongeman was, maar ik vermoed dat hij de zoon was van een tuinman op Verwolde. In het dossier komt ook de naam Harmina Hos voor, dochter van de tuinman.

 

(Het dossier gaf ook een verrassende en vooral verwarrende richting aan de vraag van wie die merkwaardige erfenis nou eigenlijk afkomstig was. Nu Richardus zelf Jan Hendrik ten Bosch als oom/voogd noemt, die nog in Lage een erfenis van Willem, Richardus’ vader, onder zijn beheer zou hebben, en we inmiddels begrepen dat Jan Hendrik naar Amsterdam was verhuisd (Oostenburgmiddenstraat) en daar in 1786 geregistreerd was in ondertrouw met ene Maria Verburg, lijkt deze de aangewezen persoon te zijn. Op de ondertrouw akte staat ook: afkomstig uit Lage en wordt genoemd zijn zuster Geertrui ten Bosch, hetgeen het aannemelijk maakt dat dit om dezelfde persoon gaat. Maar als Richardus zegt in 1805 naar Lage te zijn geweest naar zijn oom/voogd, terwijl deze al in 1786 in Amsterdam zou wonen, is dat wel heel tegenstrijdig. Onderzoek te Lage wees echter uit dat Jan Hendrik daar in 1824 is overleden. Er is geen overlijdensdatum te vinden van Amsterdamse Jan Hendrik. Het moet een vreemde persoonsverwisseling zijn, want dominee Kalckhoff heeft het expliciet over een in Amsterdam wonende kinderloze neef.) Er is ook sprake van een Jan ten Bosch. Volgens het Duitse genealogy.net is deze geboren in Lage (1758, dit klopt dus met Amsterdam- ik vermoed dat de naam Hendrik ooit is toegevoegd waardoor verwarring is ontstaan met de in Lage gebleven Jan Hendrik, wiens geboorte wordt gesteld op 1749.)

 

Er zijn nog meer getuigen verhoord, die met de zaak te maken leken te hebben zoals Groot Tjaank (buurman?) Asselman (‘kleiboer’) en diens vrouw, schilder Anthony Jolink, koetsier Gerrit Garmel, Levi Simon (‘de Jood’, die bij hem in huis woonde).

 

Zijn er aanwijzingen dat Richardus en Louise Moser een intieme verhouding hadden, die eventueel tot een zwangerschap van laatstgenoemde had geleid? Als we de samenwerking tussen hen in het kader van de diefstallen buiten beschouwing laten, niet. Op eén keer na: ergens meldt Jacob Hos dat Louise Moser wel eens bij Richardus thuiskwam met thee en suiker (uiteraard van Verwolde), en dat de twee dan vaak lagen te ‘stoeien.’ De vernoeming van het derde kind van Richardus en zijn vrouw naar haar blijft dus een raadsel. Louise Rosette was in ieder geval peet voor het naar haar genoemde kind. Maar Gradus Lieftink, knecht te Verwolde, wordt door Richardus zelf genoemd wanneer zijn relatie met Louise ter sprake komt: hij schijnt een oogje op haar te hebben gehad en zelfs een ring voor haar te hebben gekocht. Omdat Gradus gehuwd was zou hij daar niets over hebben willen horen. Het blijkt uit dit alles wel, dat er in elk geval vermoedens waren omtrent de aard van relatie tussen Richardus en Louise.

HEER RABO VAN KEPPEL TOT WOLBEEK.

Iets wat ook nog ter sprake kwam tussen Dinant en mij, was hoe Richardus toch in Deventer was terechtgekomen. Dinant opperde, dat deze Rabo als bekende patriot rond 1786 de wijk heeft moeten nemen naar een veilige plek buiten de Republiek, en dat was Lage geweest. Het lijkt niet vergezocht om te veronderstellen dat de twee elkaar zijn tegengekomen in dat dorp, en dat Rabo hem (en zijn zus en halfzuster) heeft meegenomen, of geintroduceerd. Rabo keerde weer terug naar Laren en omgeving rond 1795, en precies dan treffen wij ook Richardus aan in Deventer, terwijl hij ook in de jaren daana af en toe werk verricht voor Van Keppel. 

  • Johan Rabo, Heer van Keppel (Tot De) Woolbeek, Heer van De Wolbeek, nu een boerderij maar ooit een kasteel ten zuidwesten van Laren. Hij had de reputatie van een heethoofd. Zo stak hij in juni 1788 met zijn ruitersabel dwars door de linkerbovenarm van zijn knecht Bert van Tammel. Deze weigerde zijn handtekening op een kwitantie voor de ontvangst van een uitkering van tien livres daar hij maar acht livres had ontvangen.

Overigens was de familie van Keppel oorspronkelijk eigenaar van huis Verwolde. Dan stuit ik op nog een bekende naam: Goltstein- ruim een eeuw later belangrijk in de kwestie van Reindjen Lammers, de moeder van mijn door een baron verwekte overgrootvader Harm Willem Brummelkamp.

 

30 mei 1738 wordt Evert Jan Benjamin van Goltstein beleend - Verwolde was een leen van Keppel - met het 'huis', wat toen vermoedelijk nog slechts een simpele boerenwoning was, en een derde van de heerlijkheid Verwolde. Hij kocht het huis voor zijn dochter Reiniera Charlotta van Goltstein en schoonzoon Allard Philip van der Borch die op 4 juli 1738 beleend werden.

THEUNIS

Nog een interessant zijpad is dat van de broer van Johanne Geertruida Haarman, de onderwijzer Theunis, die eerder al ter sprake kwam, maar ook op deze pagina in verband met een vervalste borgstelling die Richardus op zijn naam had laten zetten. Lijkt mij voor de familiebetrekkingen geen goede zaak.

Deze Theunis was een belezen man, die ook dichtte en zich bezighield met experimenten en vernieuwingen op het gebied van de landbouw. Wel een ander verhaal dan dat van zijn zwager en zuster. De familie Haarman woonde eerst op in pacht op boerderij De Haar in Oolde, maar omdat vader Wolter niet op de juiste kandidaat had gestemd bij de beroeping van de dominee (naar verluid) had de verpachter van landhuis Oolde opgezegd. Daarna woonde Theunis op de boerderij Banis aan de Olde Diek, schuin tegenover de nieuwe school- zoals ik al eerder had geconstateerd, alleen kende ik de naam Banis niet. In dit huis had hij een kamer waar hij catechisatieles gaf. Op de plek waar dat huis stond staat nu een grote schuur en runnen de meiden van Haarman een camping annex paardenschool.

581352385_26232563523010536_4205298727814529109_n.jpg
2951.jpg

"De dagelijkse leiding van het Arnhemse Tucht en Verbeterhuis berustte bij de tuchthuismeester, geassisteerd door een cipierknecht, twee spinmeesters en een "vermaner". De tucht die in dit huis wordt toegepast was veel strenger dan in de meeste achttiende-eeuwse spinhuizen elders in de Republiek. Zo stond er midden op de binnenplaats een geselpaal waaraan bewoners werden vastgebonden en soms twee keer achtereen de geseling moesten ondergaan. Eenzame opsluiting kwam ook herhaaldelijk voor."

NL-AhGldA_0124_4753-0566.jpg

Heel bijzonder: het gestolen scheermes waarover in het procesdossier wordt gesproken, zit daar gewoon in het dossier bijgesloten als bewijsstuk!

bottom of page